Len Hazeleger is omgevingsmanager van het project Knooppunt Leiden Centraal. Hij voert de regie over de vijf opdrachtgevende partijen binnen dit project. De afgelopen anderhalf jaar heeft hij samen met diverse stakeholders hard nagedacht over de toekomst van knooppunt Leiden Centraal. We blikken terug op die periode en kijken vooruit.
Hou verhoudt het project rond knooppunt Leiden zich tot andere projecten van de Oude Lijn?
‘De opgave hier is groter en complexer: het gaat niet alleen om het station zelf, maar ook om het busstation, fietsenstallingen en een grote stedelijke ontwikkelopgave. We hebben gekozen voor een breed en transparant participatieproces, met een strategie waarbij alle partijen gezamenlijk in gesprek gaan over de opgave, met als doel tot consensus te komen. Dit in tegenstelling tot eerdere projecten waarin partijen los van elkaar hun eigen lobby of proces voerden, vaak vanuit individuele belangen.’
Hoe zag die brede participatie er in de praktijk uit?
‘We hebben een adviesgroep opgericht met zestien lokale maatschappelijke organisaties en een gebruikerspanel met vijftig ingelote mensen die samen een afspiegeling vormen van de verschillende gebruikers van het stationsgebied. Beide groepen hebben ons gedurende de hele verkenningsfase inhoudelijk geadviseerd en meegedacht bij de grote beslismomenten. Ook organiseerden we een Participatieve Waarde Evaluatie, waarin mensen op een laagdrempelige manier advies kunnen geven over te maken keuzes in het project. Daar deden ruim drieduizend deelnemers aan mee, waarvan de helft ook nog een eigen opmerking toevoegde. En juist in al die toegevoegde opmerkingen zat veel waardevolle informatie, maar het was een uitdaging om al die data te verwerken. Samen met Sebastian Ropers, een Zwitserse wetenschapper gespecialiseerd in de menselijke beleving binnen ruimtelijke ontwikkeling, hebben we een model ontwikkeld waarmee we konden analyseren wat mensen per plek positief of negatief vonden, en welke thema’s ze belangrijk vonden.’
Welke thema’s kwamen daaruit naar voren?
‘Uiteindelijk kwamen er tien thema’s naar voren die mensen het meest belangrijk vonden, waarvan de meeste gingen over de belevingskwaliteit. Vervolgens hebben we bekeken welke van deze thema’s al in het project geborgd waren en waar dus voldoende kennis over bestond. Maar er waren ook onderwerpen – vooral rond belevingskwaliteit – waar we nog weinig van wisten.
Mensen vinden bijvoorbeeld dat het gebied op dit moment “niet Leids genoeg” is en dat er meer groen en karakter moet komen. Daarom hebben we in een belevingsenquête onderzocht wat mensen verstaan onder “groen” en “Leids”. We hebben verschillende AI-gegenereerde beelden laten zien met specifieke vraagstelling en variaties in bijvoorbeeld beplanting, bouwhoogte en
uitstraling, en mensen gevraagd die te beoordelen. Zo ontdekten we bijvoorbeeld dat niet de hoogte van gebouwen bepalend is, maar de uitstraling van de plint: of een gevel warm en uitnodigend oogt, of juist kil en afstandelijk.’
Hoe zijn die inzichten vervolgens vertaald naar concrete keuzes voor het gebied?
‘De uitkomsten van die belevingsenquête hebben we voorgelegd aan het gebruikerspanel en daaruit bleek dat zij de uitkomsten volledig werden herkenden. Vervolgens heeft het gebruikerspanel nadacht over waar in het gebied die thema’s concreet moesten landen: waar en hoe het groener moest, waar meer levendigheid nodig was, enzovoort.
Dat leverde hele concrete en bruikbare informatie op voor onze ontwerpers. Het panel gaf ook een inhoudelijk advies over de drie ontwerpvarianten. Zowel het gebruikerspanel, de adviesgroep als de inwonersbijeenkomsten wezen uiteindelijk allemaal dezelfde voorkeursvariant aan. Dat gaf een heel krachtig en eensgezind signaal vanuit de stad.’
Wat maakte dit participatieproces volgens jou zo bijzonder?
‘Dat we niet alleen participatie deden in de klassieke zin - iets ontwerpen en daarna reacties ophalen - maar echt hebben geprobeerd vanuit de waarden van mensen te denken. Ik vind dat de overheid er uiteindelijk is om mensen gelukkig te maken, en dat de leefomgeving daar enorm aan bijdraagt. Dus moet je niet alleen vanuit de opgave redeneren, maar ook vanuit wat mensen belangrijk en prettig vinden. Door die werelden samen te brengen, krijg je een resultaat dat voor iedereen waarde toevoegt.’
Hoe verliep de samenwerking tussen de verschillende partijen?
‘Hoewel we nu blij zijn met de resultaten, was het proces niet altijd makkelijk. In het begin was niet iedereen overtuigd dat zo’n uitgebreid participatieproces nodig was, zeker de partijen die normaal gesproken wat verder van de bewoners af staan. Die zijn minder gewend om direct met bewoners te werken. We moesten elkaars behoeften eerst leren kennen.
Wij wilden bijvoorbeeld onderzoeken hoe mensen de poortjes in het station ervaren, of die als een barrière voelen. Dat is belangrijk om te weten als je nadenkt over wanneer een tunnel geschikt is als aantrekkelijke interwijkverbinding tussen twee belangrijke stadsdelen. Dus maakten we beelden van een stationshal met hoge en lage incheckpoortjes en zelf zonder poortjes. Dat ligt dan gevoelig, omdat poortjes er ook vanwege veiligheidsredenen zitten en daarom niet ter discussie staan. Maar met die beelden wek je misschien wel die suggestie.
Uiteindelijk bleek uit de reacties van bewoners dat hoge poortjes inderdaad een negatieve invloed hebben op de beleving van een aantrekkelijke interwijkverbinding. De conclusie was dat poortjes belemmerend werken voor de aantrekkelijkheid van een interwijkverbinding, zeker als dat hoge poortjes zijn. Die uitkomst biedt geen oplossing, maar geeft wel richting aan de voorwaarden van een aantrekkelijke verbinding. En met die uitkomsten kunnen ontwerpers aan de slag.’
Waar staan jullie nu in het proces, en wat komt er nog aan?
‘De komende maanden staan in het teken van afronden en voorbereiden. Binnenkort volgt het financiële besluit over het voorkeursalternatief en daarna gaan we aan de slag met de laatste formele stappen, zoals de gate review. Dat is een onafhankelijke evaluatie van een project aan het einde van een fase om te bepalen of het project succesvol kan doorgaan naar de volgende fase bij het ministerie.
Daarnaast werken we nog een paar technische onderdelen uit, zoals de verkeersafwikkeling rond de Rijnsburgerweg. Tegelijkertijd bereiden we de volgende fase voor, waarin we de plannen verder uitwerken en opnieuw met de stad in gesprek gaan.’
Als je terugkijkt, waar ben je het meest trots op?
‘Er is nog genoeg te doen, maar ik ben trots op hoe ver we al gekomen zijn en op hoe we samen met bewoners en partners een proces hebben neergezet dat echt iets toevoegt aan de stad. Én aan de manier waarop we in Nederland zulke projecten kunnen aanpakken.’